woensdag 20 augustus 2014

Kubisme: zeker geen uitnodiging tot 'schoonheid en genot'.


  • kunst als 'tekentaal'
Schoonheid en genot blijkt voor de kunst in het begin van de twintigste eeuw een gepasseerd station te zijn. Het modernisme kiest voor andere uitgangspunten. Tevens wordt hier de breuk tussen de ideeën van de renaissance en de reformatie zichtbaar. Naast godsdienstig en metafysisch denken bloeit de wetenschap op als een alternatieve bron van kennis. Charles Baudelaire maakt dat duidelijk met zijn bewering dat de moderne wereld net zo goed zingevend kan zijn als elke andere periode. En religie is daarbij niet de noodzakelijke bron voor zingeving. Het stedelijk karakter van de moderne wereld van dat moment is de motor van het modernisme en groeit uit tot een broedplaats van cultuur. De stedelijke cultuur met zijn hectiek en oppervlakkigheid en anonimiteit biedt andere mogelijkheden dan de plattelandscultuur die voorheen kon domineren. Deze fixatie in de stad op het nieuwe leidt automatisch tot een avant-garde. De artistieke en intellectuele elite ziet zich geplaatst tegenover de massa. De kerkelijke cultuur is hier het slachtoffer van, want de wetenschap legt de bijl aan de wortels van de zekerheden die in dogma's zijn vastgelegd. De evolutietheorie van Darwin, maar ook de toenmalige archeologische ontdekkingen in Israel ondergraven de leer zoals die is vastgelegd in de Heilige Schrift. Kortom, er gaat iets gebeuren.
Arnold Schönberg, de componist, realiseert zich dat ontwikkelingen in de kunst schoksgewijs gaan. Op soms onverklaarbare wijze ontstaat iets totaal nieuws. De vergelijking met de kwantumsprong ligt voor de hand. Schoonheid en genot, toch voorheen twee zeer belangrijke stijlelementen van de kunst worden opeens verdreven door de rauwe en verwrongen kanten van het expressionisme. Schönberg noemt dat de 'emancipatie van de dissonantie'.[1] Maar muziek, en ook beeldende kunst, is net als wiskunde een vorm van logica. Vandaar dat de grote massa zich afkeert van de avant-garde. De eisen die men stelde waren te hoog voor velen. Kunst wordt elitair.


Picasso,Les Demoiselles dÁvignon en enkele voorbereidende schetsen
 
In 1907, als hij 26 jaar oud is, schildert Picasso Les Demoiselles d'Avignon. De schok was groot. Gertrude Stein, een vriendin van Picasso, vertelt dat een vriend die Picasso erg bewondert, bijna in tranen uitbarstte vanwege dit grote verlies voor de Franse schilderkunst. Leo Stein, de broer van Gertrude barstte in lachen uit toen hij het schilderij zag. En de schilder Derain voorspelde dat men op een dag Picasso opgehangen zou vinden achter het schilderij. Apollinaire zei tegen Picasso: "Ondanks je uitleg heeft je schilderij de uitwerking alsof je ons hennep te eten en petroleum te drinken geeft." [2] Maar analyses van het schilderij laten zien dat veel problemen waar Picasso en Braque mee geconfronteerd worden hier voor het eerst zichtbaar zijn. Het is de eerste maal dat een schilderij verschijnt in de vorm van algebra, zoals een criticus zei. Dus, dit is ook het logische moment van het begin van het kubisme[3] en de moderne kunst.
Picasso bezocht het Louvre en Musée de l'Homme in het Trocadero in Parijs. Zijn fascinatie op dat moment is de primitieve kunst. Vooral het Musée de l'Homme met zijn etnografische collectie maakt diepe indruk op hem en laat hem overtuigend kennismaken met het magische karakter van primitieve kunst. De maskers die hij ziet, zijn voor hem 'intercesseurs', bemiddelaars tussen de mens en de magie. Deze spirituele kracht wil hij gaan gebruiken in zijn werk. "Ik keek altijd naar fetisjen. Ik begreep, ik ben ook overal tegen. Ik geloof ook dat alles onbekend is, alles is een vijand! ... al die fetisjen werden voor hetzelfde gebruikt. Het waren wapens. Zij helpen mensen om niet weer onder invloed van geesten te komen, zij helpen hen om weer onafhankelijk te worden. Geesten, het onbewuste ( ...), emoties - dat is allemaal hetzelfde. Ik begreep waarom ik schilder was." [4]De kunst van de niet-westerse volken staat op dat moment in de belangstelling van het publiek. Kleine bric-á brac winketjes zoals dat van Père Sauvage oefenen een grote aantrekkingskracht uit. Het boek The Golden Bough van de antropoloog James Frazer over mythen en gewoonten van allerlei volkeren is in die dagen zeer populair en de evolutietheorie en de polemieken tussen sociaal darwinisten zijn aan de orde van de dag.
De wereld is in beweging. Midden in de heftige realiteit staat Picasso en hij drinkt alle invloeden op die hem overspoelen: Darwin, Freud, Frazer, Bergson en Nietzsche verleiden Picasso tot zijn uitspraak dat alles een vijand is. Met zijn schilderij Les Demoiselles d'Avignon bindt hij de strijdt aan met alle kunstopvattingen. Dit schilderij is schokkend en destructief, maar is ook door zijn genialiteit onweerstaanbaar. Deze tijd, vlak voor de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, is enerverend. Alles staat op kantelen, alles is in beweging. In de kunst slaat men totaal nieuwe wegen in. En ondertussen werkt Einstein aan drie historische verhandelingen: de Brownse Beweging, de relativiteitstheorie en de kwantumtheorie.  Moderne kunst en moderne wetenschap ontstaan allebei op hetzelfde moment.
 Ik vraag me af of het werk van Picasso, George Braque, Marc Chagall en Delaunay ooit gemaakt zou zijn zonder de gebeurtenissen die hiervoor geschetst zijn. Want vanuit elke gebeurtenis zijn lijnen te trekken naar de voorafgaande historie, ondanks de plotselinge schokken in de culturele en wetenschappelijke ontwikkeling.
De kunstenaar schept een systeem van tekens waarmee hij zijn verhaal wil vertellen, tekens die zich in het bewustzijn van de beschouwer moeten griffen en door hem kunnen worden gelezen. De beelden van Picasso, Braque, Chagall, Delaunay zijn tekens die een 'be-tekenis' in zich dragen. Manolo, een vriend van Picasso vroeg hem eens wat zijn ouders zouden zeggen als ze hem van het station haalden met zulke tronies, toen hij de tekens had gezien die Picasso had gevonden voor zijn menselijke figuren. Maar Manolo verwisselde hier het teken met datgene wat het moest betekenen, wat een simpele manier is van kijken. Kinderen en primitieven zal dat niet overkomen. Het teken en het ding zijn voor hen hetzelfde. Een animistische wereldbeschouwing verleent realiteit aan de tekens. "Het schilderij is 'maar' een tekentaal", zei de galeriehouder van Picasso, Daniel-Henry Kahnweiler ergens. En zo kijken we nu misschien met andere ogen naar de werken van Picasso, Braque, Delaunay en Chagall.  Werken die nu waarschijnlijk meer betekenis hebbent gekregen, omdat zij vertellen met behulp van tekens over het verleden dat de poort kan zijn naar ons heden en dat wat nog gaat komen.


[1] Peter Watson, Grondleggers van de moderne wereld, 2008.
[2] Herbert Frank, Niet bang voor het nieuwe, 1966
[3] John Golding, Cubism,  A History and Analysis 1907 - 1914, Harvard 1988
[4] André Malraux, Picasso's Mask, 1976






 


dinsdag 22 juli 2014

Papier de tenture

Papier de tenture, u raadt het al: behangpapier! Via mijn huisschilder kon ik de hand leggen op een fraai stalenboek. Prachtig materiaal om op te werken. Zie hier de eerste experimenten.




















maandag 12 mei 2014

Kubisme

Kubisme interesseert me nog steeds. Het is het begin van modernisme, het begin van de echte moderne kunst. Als het kubisme niet door Picasso en Braque ontwikkeld was, dan is de vraag hoe de kunst zich zou hebben ontwikkeld. Want door hun werk wordt kunst een vorm van logica, sommigen spreken zelfs van algebra. In de beginjaren van de twintigste eeuw, net voor WO I gebeurt er van alles. Modernisme ontstaat, maar tegelijkertijd ook de moderne wetenschap, met onder andere Einstein die werkt aan zijn relativiteitstheorie. Kwantumfysica wordt ontdekt. Tussen de fysische wereld en de kunstwereld zijn parallellen te trekken. De geleidelijke evolutie verandert in een schoksgewijze ontwikkeling. Het is een uitdaging om dat in een beeld vast te kunnen leggen. Vandaar hier een voorzichtige poging, die ongetwijfeld nog veel vervolg zal krijgen.

vrijdag 18 april 2014

grafitti 7

Opnieuw een wandeling gemaakt langs de Amsterdamse Brug. Veel nieuw werk, opmerkelijk: de Syrië schildering is nog steeds onberoerd. Waardering en respect! veel nieuw werk, kwaliteit van goed tot matig. maar, nog steeds, er is vooruitgang te zien bij het kiezen van thema's. De lettertypen blijven populair, maar worden beeldend steeds verder uitgewerkt. Het woord is geen boodschap, maar het beeld blijft over. Agressie wordt langzaam verdrongen door esthetica en humor. Een positieve ontwikkeling!

 























 


 



 

vrijdag 4 april 2014

ER WAS EENS: vertellen als sociale gebeurtenis

Daarom moet ik steeds terug / naar al die plekken in de toekomst / om mezelf te ontmoeten / en te blijven onderzoeken,/ met de maan als enige getuige”

Dit schreef de Chileense dichter Pablo Neruda.[1] Deze regels zouden als een oplichtend gedicht boven de tentoonstelling moeten kunnen zweven.
 De kunst van het vertellen is oud, even oud als cultuur zelf.   Verhalen ontstaan waarschijnlijk op het moment dat de mens voldoende bewustzijn heeft ontwikkeld om cultuur te maken. Tradities, ervaringen en emoties vinden hun vorm in de vertelling en zijn daardoor dragers van cultuur. De oorsprong van de epische gedichten van Homerus zijn in oorsprong oraal. Homerus was de dichter / zanger die deze heldensagen en mythen die al eeuwen in zijn cultuur leefden vorm heeft gegeven.
Door verhalen te vertellen geven mensen de cultuur van hun samenleving door. Vertellen is een  manier van kennisoverdracht. Als mensen een verhaal vertellen,  ontmoeten zij ervaringen en emoties in plaats van objectieve feiten. Men verhaalt van gebeurtenissen waarvoor men zelf geen verklaring geeft. De verteller legt niet uit, maar is een verslaggever die door de bril van één concreet personage kijkt. De toehoorder zal zijn verhaal wel of niet begrijpen en de verteller bevindt zich in de positie dat hij eigenlijk met lege handen staat. Hij moet er maar op vertrouwen dat de ander zich een voorstelling van het vertelde kan maken. Hij is een bruggenbouwer die in plaats van feiten door te geven zich wil verplaatsen in de ervaringen en emoties van de ander. Motieven en achtergronden wil hij van binnenuit begrijpbaar maken en soms maakt hij  ontwikkelingen bespreekbaar die maatschappelijk in de taboesfeer liggen . Hij zal vertrouwen moeten uitstralen zodat de toehoorder hem echt kan ontmoeten en met hem zijn ervaringen kan delen. Zo wordt vertellen een sociale gebeurtenis.
De tentoonstelling ER WAS EENS wil een verhaal vertellen. Bij de eerste presentatie van het idee om een grote collectietentoonstelling te organiseren was verhalen vertellen al een sleutelwoord. En nu is de tentoonstelling gerealiseerd en is het aan de bezoekers om hun eigen verhaal te maken. Gelukkig krijgen zij hulp. De chronologische indeling geeft overzicht en er is een handzame catalogus. De tentoonstelling opent met een introruimte met materialen en hulpmiddelen die een aanzet tot vertellen geven. Een fantastische vondst is de zaal op de eerste verdieping die fungeert als een interactieve tentoonstellingsruimte en die de bezoekers de kans biedt om hun eigen verhaal zichtbaar te maken in een persoonlijke en eigenhandig samengestelde tentoonstelling. De tentoonstelling biedt beelden aan, de kijker maakt zijn eigen context. Althans dat is de bedoeling. En, om een ander beeld te gebruiken, wie durft in deze tentoonstelling buiten de lijntjes te kleuren als bewijs van een goede verteltechniek? Wie kan zich de rol van grensverlegger aanmeten? Of bent u de epigoon, die zich bewust is van het feit dat hij in de gedaante van een ander het meest zichzelf is?
Een collectietentoonstelling samenstellen vraagt om uitgangspunten. De maatschappelijke gerichtheid van het tentoonstellingsbeleid moet terug te vinden zijn in de presentatie. Want als men een verhaal wil vertellen moet dat in de samenstelling en vormgeving zichtbaar worden. Gelukkig bieden de curatoren Charles Esche, Christiane Berndes en Diana Franssen hulp. Zoals  in de begeleidende catalogus te lezen is, zijn de gebeurtenissen in de jaren 1968 en 1985 cruciaal voor de culturele en politieke ontwikkeling van het Westen. En wie de inleidende teksten van elke zaal goed in zich opneemt, herkent deze maatschappelijke gerichtheid. Vooral de zaal die een accent legt op feministische kunst is daar een treffend voorbeeld van. Het fotografisch statement van Lynda Benglis als reactie op de door fascisme getekende foto van Robert Morris is exemplarisch.
Door beelden als sleutelwoorden te gebruiken in de expositie vermoedt de kijker met een ‘waarheid’ geconfronteerd te worden: een poging de spanning in de tentoonstelling op te bouwen door het aanbieden van gerichte teksten, door tijd te vertragen of te versnellen met het aanbod van kunstwerken en door onverwachte standpunten in te nemen. Archiefmateriaal intensiveert de vertelling. Dit zorgt voor accenten die het verhaal in een bepaalde richting kunnen sturen. Video fungeert soms als het Japanse Kamishibai kastje, waarin videobeelden lijken op verschuifbare illustraties. Eigenlijk missen we de Indiaanse ‘Talking Stick’, het ritueel waarin men een voorwerp in de hand gedrukt krijgt waarna hij het woord moet voeren.
De maatschappelijke ondertoon van de tentoonstelling biedt de bezoekers kansen om eigen accenten te leggen. De inleiding van de catalogus schrijft: "Elke gebeurtenis creëert nieuwe mogelijkheden." Het citaat van Alain Badiou is het waard om hier herhaald te worden:

Een gebeurtenis is de schepping van een nieuwe mogelijkheid. Een gebeurtenis verandert niet alleen het reële, maar ook het mogelijke. Een gebeurtenis bevindt zich niet op het niveau van het simpelweg mogelijke, maar op het niveau van de mogelijkheid van het mogelijke’"

Dit is een oproep tot creativiteit: creëer mogelijkheden die geboden worden door een enkel feit, probeer divergerend te denken. Deze collectiepresentatie is een oproep tot creativiteit. Hier wordt Descartes a.h.w. tegengesproken door het besef dat je nu iets moet dóen om te weten dat je bestaat. Denken als besef van bestaan is secundair. De tentoonstelling daagt uit tot doen en je kunt het pas echt goed als je niet weet dat je er mee bezig bent.
 Een goed verteller houdt rekening met zijn publiek. Wat is de intellectuele achtergrond? Hoe groot is mijn publiek? Schat in hoe het publiek reageert? Kunnen beelden associaties oproepen waarbij onbewuste gedachten bij een publiek zichtbaar worden en dat men ervaart dat deze gedachten juist en bruikbaar zijn?
Natuurlijk mag iedereen ook gewoon rondlopen en onbekommerd kijken en genieten van de prachtige kunst. Daar is niets mis mee. Voor velen zal Er Was Eens een hernieuwde kennismaking zijn met inspirerende kunstwerken. Het is net als met lezen: de ware lezer is de her-lezer, in dit geval de her-kijker.

Het wordt nu tijd om een paar verhalen te maken. Aan u en mij de eer om de komende vijf jaar deze verhalen vorm te geven. 


[1] Pablo Neruda, ’De Wind’, uit: ‘Einde van de Wereld'